Lucht kan bij een
bepaalde temperatuur slechts een bepaalde hoeveelheid water (waterdamp)
dragen die toeneemt of afneemt naargelang de temperatuur. Als de
luchttemperatuur daalt tot onder het dauwpunt (verzadigingspunt)
condenseert het teveel aan waterdamp en neemt de vorm aan van dauw, mist
of regen. Bij een temperatuur van -4.6°C en een relatieve vochtigheid
van 29% zal het dauwpunt -20.0°C zijn. Bij een dauwpunt onder nul wordt
de neerslag hagel of sneeuw.